Groen, groen en nog eens groen

Als ik nu naar buiten kijk, is alles bedolven onder een witte laag sneeuw. Zo met de winter nog voor de boeg is het af en toe moeilijk voor te stellen dat in het voorjaar al dat frisse groen weer opkomt. Het kan mij niet groen genoeg zijn.

En dan nog het liefst van dat zachte groen. Niet van die harde glimmende blaadjes, maar zacht en mat in alle tinten groen, variërend van geelgroen, naar blauwgroen, grijsgroen tot flessengroen. Als dan de bladvormen ook nog verschillen hoeft er verder niet zoveel meer te gebeuren, geen uitbundige bloei of accentkleur die daar nog iets aan toe kan voegen.

Op een schaduwrijk plekje in mijn tuin, staat zo’n groene oase, bestaande uit varens: Matteuccia struthiopteris en Polystichum (vermoedelijk aculeatum), Dicentra spectabilis ‘Alba’, Kirengeshoma palmata met het handvormige blad, de kleine blaadjes van het hoge Thalictrum delavayi en de bodembedekkende Omphalodes verna en Tiarella cordifolia ‘Oakleaf’ met de wit-roze schuimbloemen. Het plekje staat echt bomvol, omdat er zoveel mooie groene bladplanten zijn die ik daar een plaats wil geven.

Ik heb niet zoveel schaduwplekken in mijn tuin, dus praktisch alles wat schaduw verlangt komt daar terecht.

In het hoekje tegen de regenton staat een Astilboides tabularis, het zogenaamde tafelblad, een plant die enorm grote ronde bladeren aanmaakt van wel 60 tot 80 cm diameter. Hij verdient eigenlijk een veel grotere plek dan dat ie hier krijgt toebedeeld, maar doordat de regenton af en toe overloopt als het veel geregend heeft, blijft de grond goed vochtig daar, wat hem toch op de been houdt. Erachter staat de zilverkaars Cimicifuga ramosa, die al vroeg in het voorjaar een mooie frisgroene bladtoef aanmaakt. Pas in het najaar gaat hij bloeien met heerlijk geurende witte bloemen op hoge stelen, maar tot die tijd is het blad een aanwinst voor de tuin. Eerst stond de zilverkaars op een plek met meer zon, maar daar kwijnde hij weg, dus vandaar dat ie ook in de schaduwhoek er bij geduwd werd. Onder het tafelblad staat een japanse regenboogvaren (Athyrium niponicum ‘Metallicum’). Dit is de enige plant in de schaduwhoek die geen groen blad heeft, maar een metaalgrijs-wit blad met nerven die neigen naar het paars. De kleur is moeilijk te omschrijven, maar onbeschrijfelijk mooi, het is wonderlijk dat de natuur zoiets kan voortbrengen. De lieflijk kleine bloemetjes van het schildersverdriet Saxifraga x urbium kleuren er prachtig bij.

Ook een plant/ struik met metaalkleurig blauw grijsgroen blad is Decaisnea fargesii, de zogenaamde augurkenstruik. Na de bloei vormt de struik blauwgrijze lange zaadpeulen, wat hij bij mij overigens nog nooit heeft gedaan, maar dat wordt hem vergeven. Onder de struik groeit een dicht tapijt van Euphorbia cyparissias, een stekje dat ik ooit van iemand heb gekregen. Zoals te zien kan deze aardig woekeren, maar hij is vrij gemakkelijk te verwijderen als het teveel wordt. Trek wel handschoenen aan, want het melkachtige sap dat vrijkomt kan irriteren. De plant heeft echter zo’n mooi zachtgroen wuifend effect dat ik hem toch een flink stuk laat inpalmen. 

Iets meer in het zonnige tuingedeelte staan nog wat van die groenen bij elkaar. Terug een Dicentra spectabilis, maar dit keer de roze bloeiende varieteit. Het blad van deze is meer geelgroen, of misschien komt dat wel omdat ie meer in de zon staat. De rode stengels steken in ieder geval mooi af tegen het blad. Erachter staat het grote grijsgroene blad van Rudbeckia maxima en daartussen bloeit het juffertje in ‘t groen (Nigella damascena), die zijn naam hier mooi eer aan doet.

Dat het groen in de vorm van geelgroen zelfs een tuinstukje kan oplichten bewijst het geelgroene gras van Carex elata ‘Aurea’. De knalgele bloemen van Trollius ‘Lemon Queen’ helpen een handje mee, maar hier komt echt even een zonnestraal je tegemoet. En dat alles schuilt onder die witte deken.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.