Spooktuin en Mini-egels

tuin_okt2014_1

Het jaargetijde van de spinraggen breekt weer aan. Het is dan één en al geweef en geknoop wat de stengels en uitgebloeide bloemknoppen met elkaar verbindt. Wat vroege ochtend dauw met een zonnetje erop en het tafereel is compleet. De herfsttuin kenmerkt zich eigenlijk door een grote ‘saamhorigheid’ als ik dat zo kan noemen. Alles lijkt samen te smelten, er is geen plant meer die uit de toon valt doordat z’n kleur eigenlijk toch niet zo goed matcht met zijn buurman of meer van dat soort overwegingen die je doorgaans wel eens maakt.

Pennisetum alopecuroidesspinrag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Soms kijk ik ook vol verbazing naar zaken die mij voorheen nog niet zo waren opgevallen. Opeens zijn daar die grote Pennisetum bollen die in volle glorie staan te bloeien. En de Rozemarijn struiken zijn plots meer dan manshoog. Hoe lang is dat al zo? Ik besluit meteen om nog eens een goed stuk Rozemarijntaart te bakken.

Deschampsia cespitosa2

In de moestuin is ook al van alles gepasseerd. De struikbonen hebben het dit jaar wat laten afweten, maar de stokbonen hebben het (spreekwoordelijke) ‘stokje’ overgenomen. Heel wat heerlijke sperziebonen zijn daar al afgekomen en het einde is nog niet in zicht. Eigenlijk ligt in de koelkast steevast een haffeltje vers geoogste bonen (met dank aan Eva, voor haar bonen ‘Neckarkönigin’). Ook de komkommer doet het goed, in het begin was er tijdelijk een groeistilstand en wilden de komkommertjes niet rijpen, maar daarna is hij vertrokken en produceert aan de lopende band korte maar dikke komkommers met een enigszins stekelig jasje. Ook konijnen passeren in de moestuin, maar dat is een ander verhaal. Ze eten graag aan de peterselie en graven in de bak, waardoor de net opkomende veldsla het moeilijk heeft om zich te wortelen.

tuin_okt2014_2

Er is nog een beestje wat mij regelmatig opwacht. Als ik water ga pakken aan de regenton en de emmer verzet kijkt een heel klein kikkertje mij triomfantelijk aan, alsof hij wil zeggen: hallo, hier ben ik weer. Het is me nog niet gelukt hem te strikken om op de foto te gaan, wat dan wel weer lukte met deze mini-egel. Wellicht een nakomeling van de egel die al enige tijd in onze tuin rondloopt. Het leven voor de egel is hier dan ook goed, met een overdaad aan slakken. Voor hem is dit geen spooktuin maar eerder het aards paradijs.

Mini egel

 

Een bakje geel

geel

Ken je dat, de lichte stress die toeslaat, het moment dat je het terrein van een nog niet eerder bezochte kwekerij oploopt, de plantenbedden zich tot in de verte voor je uitstrekken en de wetenschap dat je slechts een kleine 4 uur de tijd hebt. Het overkwam mij weer eens vorig weekend. Na alle tuinwerkzaamheden van de afgelopen weken waren er toch links en rechts wat gaten geslagen in de border. Op zoek naar een goede vaste plantenkwekerij waarvoor ik niet eerst drie kwartier moet rijden, stuitte ik op kwekerij Guido Van de Steen hier niet ver vandaan. Primula florindaeIk startte vol goede moed: met een karretje en een lijstje in de hand werd bed voor bed afgestruind. Na een tweetal uur was mijn kar nog altijd leeg, niet dat er niks moois was gepasseerd, maar ik had me voorgenomen me (toch op z’n minst in eerste instantie) te concentreren op de planten op mijn lijst. En die waren nog niet voorbijgekomen. Dus sloeg ik een (op het eerste gezicht) groot blok Hosta’s over om me aan de tweede helft van de rijen plantenbedden te wijden.

En ja hoor, niet lang daarna stuitte ik op m’n eerste vondst, althans vermoedelijke vondst, want het toeval wil dan ook net dat bij de gezochte plant het kaartje ontbreekt: Aruncus aethusifolius ‘Horatio’. Eén plantje stond er verdwaald in een bak. Iets verderop lag wel een kaartje met de naam op de grond, dus belandde hij zonder pardon als eerste in mijn kar. Het bleek ook het enige exemplaar van de cultivar te zijn, dus heb ik nog een Aruncus dioicus ‘Kneiffii’ toegevoegd, die lager blijft en mooi diep ingesneden blad heeft.

Primula bulleyana

Coreopsis verticillata 'Moonbeam'Even daarna vond ik de Primula. Eerlijk gezegd associeerde ik Primula altijd een beetje met een zogezegd “truttig” plantje (sorry voor het woordgebruik), maar ik moet bekennen dat dat vooroordeel moet worden bijgesteld. Met name tussen heel veel groen vindt ik het erg mooi staan, omdat het geel (en niet alleen van de bloemen maar ook het frisgroene blad) een plekje helemaal kan oplichten. De Primula bulleyana en P. florindae belandden in mijn bak. De laatste verrast dan ook nog eens met een heerlijke geur, die zelfs op grotere afstand nog te ruiken is. Hetzelfde lichtend gele effect geldt voor de Coreopsis verticillata ‘Moonbeam’. Mijn vorige exemplaar heeft het laten afweten, maar ik ga het nog eens proberen, ditmaal op een andere standplaats.

Tot slot heb ik m’n oog nog laten vallen op twee nieuwelingen: Agrimonia eupatoria en Scrophularia auriculata ‘Variegata’, beiden inheems, maar ik had er nog nooit van gehoord of gezien. De Agrimonia maakt een volle bladrozet met gekarteld frisgroen blad, waaruit een lange aar met felgele bloemen ontspruit (op de bovenste foto rechts in beeld). De Scrophularia oftewel “geoord helmkruid” (bovenaan links) heeft groen met crème gemêleerd blad, waarmee hij de aandacht trekt. Quasi blad en stengels heeft het wel iets van een uit de kluiten gewassen munt.

Was het de brandende zon die 4 uur lang op m’n hoofd had geschenen?… op weg naar de uitgang overschouwde ik m’n kar en viel me plots op dat het een overwegend gele verzameling was geworden. Zou er dan toch zoiets zijn dat je met een bepaalde ‘mindset’ op plantenjacht gaat? Bij thuiskomst straalde het geel hieronder mij ook al tegenmoet, dus volgens mij wordt juni – juli voortaan de gele maand.

Cephalaria giganteaPeterselie en Hakonechloa macra 'Aureola'Alchemilla mollis

 

De Grote Graszode

De grote graszode Albrecht Dürer

Bij mijn laatste leesontdekking (De wilde tuin – handleiding voor lui tuinieren van Hans van Cuijlenborg) stootte ik op deze fantastische aquarel getiteld “De Grote Graszode” van Albrecht Dürer uit… jawel… 1503! Ik kon de verleiding niet weerstaan om meteen een dergelijke beeld (weliswaar bij lange na niet zo mooi) van mijn “graszode” te maken. Dit plekje onder de kriekenboom is dan ook nog eens het enige stukje tuin waar ik (met uitzondering van maaien) nooit iets aan gedaan heb. Het is dus als het ware “het meest wilde” stukje in mijn tuin.

Het boekje van Hans van Cuijlenborg is een echte eye-opener (hij is inmiddels, met nog wat andere boeken, ook toegevoegd aan mijn boekenlijst). Het behandelt een stukje geschiedenis van de opkomst van “het wilde tuinieren”, met pioniers zoals William Robinson en mensen zoals Gertrude Jekyll, Beth Chatto en Louis Le Roy (om er slechts enkelen te noemen) die voortborduurden op zijn ideeën. De aquarel van Dürer toont een wild stukje, onbegraasd grasland en niet een zode uit een onderhouden, keurig gemaaid en (on)kruidvrij gazon zoals heden ten dage nog steeds vele tuinen mee worden gevuld. En daarmee is meteen de tendens gezet voor het wilde tuinieren, de laissez-faire houding, oftewel laat de teugels vieren “omdat je het eeuwige gemaai zat wordt” zoals Wolfgang Oehme (ook een Robinsoniaan) het verwoordt.

de grote graszodeRobinson (en zijn navolgers) streefden allen in meer of mindere mate naar het zo min mogelijk ingrijpen in de tuin, zodat de vegetatie zijn natuurlijke gang kan gaan en grotere gebieden kan koloniseren. Ook zogenaamde exoten (planten die van oorsprong hier niet vandaan komen maar wel in een vergelijkbaar klimaat gedijen, en vaak ook al generaties geleden zijn geïntroduceerd en inmiddels verwilderd) mogen daar gerust hun plek in vinden. Soortenrijkdom is iets wat nagestreefd wordt en waar de “wilde tuin” ook af en toe wat extra hulp kan gebruiken, want …en daar komen we bij de orde van de dag (en onze eigen tuin) terecht…voor je het weet wordt de tuin overheersd door slechts enkele soorten die het iets te best naar hun zin hebben en is de aantrekkelijke soortenrijkdom ver te zoeken. De tuinen die Robinson voor ogen had, hadden toch best namelijk enige omvang (lees enkele hectaren) zodat er meerdere biotopen konden ontstaan. Voor de wat kleinere tuinen, was toch meer menselijk ingrijpen nodig, om de gewenste variatie te krijgen.

Om weer even terug te komen bij de graszode… op de aquarel van Dürer vallen behoorlijk wat verschillende soorten te ontdekken. Naast de verschillende soorten gras zie je ook o.a. paardebloem, weegbree, ereprijs, duizendblad en madeliefje (zie ook adolphus.nl). In feite het eerste resultaat van het laten vieren van de teugels. Op onze breedtegraad is de climaxvegetatie (de vegetatie waar alle planten gezamenlijk naar streven als je ze ongemoeid laat) namelijk het gematigd gemengde loofbos. Dat betekent als je de vegetatie ongestoord zijn gang laat gaan, dus zonder menselijk (of dierlijk) ingrijpen, er na enkele decennia een bos zal ontstaan. Grasland is dus een resultaat van ingrijpen, bijv. door de mens middels landbouw, of door de dieren middels begrazing. Deze constatering werpt opeens een heel nieuw licht op mijn steeds terugkomende gevecht met het gras”onkruid” in mijn tuin. De natuur streeft immers altijd naar een evenwicht, de overheersing van één of enkele soorten is een verstoring van het evenwicht en dus (op de lange termijn) van voorbijgaande aard. Met het steeds verwijderen van het gras op ongewenste plekken wordt er in feite constant een halt toegeroepen aan een natuurlijk proces om het evenwicht te herstellen. Op langere termijn zou het gras uiteindelijk, plaats maken voor een gemengde kruidenvegetatie en langzamerhand overgaan tot een bos.

Nu waren er wel verschillen onder de Ronbinsonianen wat betreft de mate van menselijk ingrijpen in de wilde tuin (niet iedereen is uit op een bostuin of wil jaren lang wachten totdat er een evenwicht ontstaat). Louis Le Roy was de meest extreme als het ging om de regie los te laten. Zijn ingrijpen werd tot het absolute minimum beperkt, waarvan getuige zijn tuin en ecokathedraal in Mildam bij Heerenveen die tot bos is verworden. Velen gaven hem dan ook de kritiek dat zijn tuin uiteindelijk geen tuin meer was, maar een climaxvegetatie. Daarop kwam de geruststellende uitspraak van Le Roy dat het voortdurend zweven tussen droom en werkelijkheid een typisch kenmerk is van hartstochtelijk bezeten tuinlieden. Dankjewel wilde tuinman, er is nog hoop!

Slakken te ruil

tuin mei 2014_1

Waar zal ik eens beginnen? Er is zoveel gebeurd de afgelopen maand. Vrachtladingen onkruid zijn eruit gegaan… en vrachtladingen boomschors erin. tuin mei 2014_2De sering is drastisch gesnoeid, de vijg heeft een nieuwe ‘behuizing’ gekregen, de sieruien in de nieuwe plantenbak schieten de hoogte in, de Lavendel is geknipt en de moestuinbakken zijn vol bezet. Er lijkt zowaar een klein beetje orde in de tuin te zijn gekomen, ondanks dat her en der nog steeds oude plantenresten van vorig jaar overeind staan.

In de border is het nu echt wel volle bak. Vers loof, en er staat al van alles in bloei. Zoals de geraniums (o.a. G. phaeum ‘Mourning Widdow’ en G. macrorrhizum ‘Spessart’), de akeleien, Lupines en Vingerhoedskruid. Ook de Pruikenboom (Cotinus coggygria ‘Royal Purple’) staat volop in bloei en verspreid daarmee zijn heerlijk zoete honingachtige geur. tuin mei 2014_3

Onder het bladerdek van de Augurkenstruik (Decaisnea fargesii) is het goed toeven. De judaspenning is allang weer uitgebloeid en laat nu zijn groene centen zien. De sieruien (en bieslook) staan er nu ook volop. Vooral in de nieuwe plantenbak is het een feest van sieruien. Het begon met de lage Allium roseum: lichtroze van kleur met opvallende gele meeldraden en een open bloeiwijze. Ze ruiken ook best lekker: ui-achtig maar wel met een zoete ondertoon. Zo’n drie weken geleden gingen ze van start en zijn inmiddels gevolgd door de vertrouwde halfhoge Allium aflatunense ‘Purple Sensation’. En… sinds een paar dagen zijn nu ook de hoge donkerpaarse Allium atropurpureum open gegaan. Sieruien in 3 hoogtes: het geeft een heel mooi effect.

plantenbak mei 2014

Allium roseum

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

plantenbak mei 2014_2In de moestuin is er ook al volop actie. Het begon dit jaar erg vroeg. De eerste oogst, of liever gezegd, de laatste oogst van vorig jaar viel begin maart. eerste oogstDe aanleiding was eigenlijk dat ik de moestuinbakken leeg wilde halen om ze, volgens de regels van de kunst, voor te bereiden op de nieuwe zaailingen. Dus haalde ik er nog een laatste haffeltje warmoes, bietjes in miniformaat en prei uit (zowat even dik als ze erin gegaan zijn). Vervolgens al het onkruid eruit, de grond goed losgemaakt, een traagwerkende organische mest erin en de grond afgedekt met strooisel. De beestjes doen de rest.

Na een paar weken rust is de grond klaar om ingezaaid te worden. Ik ben begonnen met spinazie, radijsjes, rode ui en knoflook, even later gevolgd door warmoes en bietjes. Tussen de kiezel vond ik nog ergens 2 zaailingen van gemengde sla, die ik daar vorig jaar in een pot had staan. moestuin mei 2014Ik heb ze voorzichtig opgevist en ook in de moestuinbak gezet. Ze zijn inmiddels uitgegroeid tot een heuse krop, terwijl ze in pot eigenlijk zo dicht op elkaar gezaaid worden dat het meer als snijsla wordt gebruikt. De radijsjes zijn inmiddels op (het blijft altijd verrassend hoe pittig eigen gekweekte radijsjes zijn) en hebben plaats gemaakt voor struikbonen. Dat was vorig jaar zo’n succes, dat ze nu op herhaling gaan, uiteraard op een andere plek. Het blijft een grote puzzel met die rotatieteelt. Ik heb maar 3 bakken, dus als je dan zowel spinazie, bietjes als warmoes wilt zetten, moet je toch serieus schuiven voordat het in elkaar past.

Dit jaar gaat mijn moestuin ook de hoogte in, dat hoop ik althans. Ik heb namelijk voor het eerst stokbonen gezet. Ik ben erg benieuwd wat dat gaat worden. Maar meer nog kijk ik vol verwachting naar mijn komkommers. Eén moestuinbak heeft een klimrek gekregen waar 2 komkommers tegenaan staan. Nu ken ik komkommers eigenlijk alleen van teelt in een kas, ze houden namelijk erg van warmte. Ik ben dus benieuwd of dit in de buitenlucht gaat lukken. Er hangen in ieder geval al kleine komkommertjes aan. Ook courgette is weer van de partij. Het plantje heeft alleen wat moeite om op gang te komen. Het help natuurlijk ook niet echt als de jonge blaadjes direct worden opgegeten door de slakken. Dat blijft eigenlijk de meest lastige klus: de slakken op afstand houden. Gaas eromheen bouwen, de bodem bedekken met varenblad of eierschalen: het helpt allemaal niet zoveel. Maar sinds vandaag krijg ik hulp. Bij een laatste rondje door de tuin stuitte ik op een egel, die al langzaam kuierend zijn onderkomen zocht onder de heg. Ik heb hem dan maar (hoe wreed) wat slakken toegeschoven. Slakken in ruil voor een egel en courgette…ik teken ervoor.

egel

Zij aan zij

Mist

Een paar dagen terug op een vroege ochtend zag ik dit tafereel buiten. Al weken loop ik op hete kolen dat ik dringend de tuin in moet om “het najaar” op te ruimen. Maar die vroege ochtend met de mist werd ik overvallen door de schoonheid van najaar en voorjaar die in perfecte harmonie zij aan zij stonden. De kriek in volle bloesem, de bruine bloemschermen van de sedum, terwijl het nieuwe loof zich al verdringt aan z’n voeten. En dat temidden van een witte zee van fijne Epimedium bloemetjes. De lucht was warm, maar de mist gaf alles die speciale herfstachtige sfeer.

KriekDe eerste kleuren in de voorjaarstuin associeer ik altijd met Pasen. Paars, geel en wit voeren de boventoon. Ik weet niet of dat typisch is voor mijn tuin, maar toch lijkt het wel of de natuur weet dat Pasen eraan komt. Witte en paarse Judaspenning, een paar verdwaalde narcissen, kievietseitjes, de bloesem van de Kriek en Sering en niet te vergeten de paasbloem Pulsatilla.

Hakoneckloa & EpimediumLunaria & Stipa

 

 

 

 

 

 

 

 

Sommigen zijn er, door de zachte winter, dit jaar al erg vroeg bij zoals Rucola, die eigenlijk al heel de winter her en der in bloei staat, en het Komkommerkruid Borage.

BorageDe kriek en sering staan dit voorjaar ook zij aan zij in bloei. Meestal is de kriek een stapje voor, en neemt de sering het daarna over, maar dit keer doen ze het samen.

Nog zo een die het door de zachte winter opperbest naar zijn zin heeft is de Rozemarijn. Die staat te bloeien alsof z’n leven er van afhangt. Vorig jaar kreeg hij nog een flinke knauw door een late vorstperiode, hopelijk blijft hem dat dit jaar bespaard. Ik ben er al flink aan het knippen voor in het eten en om stekjes uit te delen.

Maar hiermee is het paars in de tuin nog niet ten einde. Nog even en de bieslook gaat massaal in bloei, gevolgd door zijn familielid ” de sierui”. Ik ben dit jaar erg benieuwd naar de sieruien. RozemarijnIk heb afgelopen najaar een aantal nieuwe soorten toegevoegd, waaronder Allium roseum, A. caeruleum,  A. atropurpureum en A. ‘Summer Drummer’. Aan het loof te zien dat al overal staat wordt dat een feest.

Ook zelf gezaaid en van elders aangewaaid staan zij aan zij. In dit geval de zelf gezaaide Anthriscus sylvestris ‘Ravenswing’ en de Stinkende Gouwe (Chelidonium majus) die waarschijnlijk vanuit de bermen uit de buurt is overgewaaid. Het past wonderwel bij elkaar. Hetzelfde geldt voor de jonge grijze zachtbehaarde blaadjes van Lychnis coronaria ‘Alba’ en de oude strokleurige grashalmen van Calamagrostis acutiflora ‘Karl Foerster’die ik zo nodig moest afknippen. Eigenlijk een geluk dat ik dat nog niet heb gedaan. Zo gaan voor- en najaar nog mooi even samen.

Lychnis & CalamagrostisAnthriscus

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boomgeluk

Quercus dentata 'Pinnatifida'

En plots is ie daar dan: de langverwachte, veelbesproken en alom naar uitgekeken boom. Hij luistert naar de naam Quercus dentata ‘Pinnatifida’, oftewel Japanse Keizereik. Afgelopen weekend kwam het telefoontje: “hallo met Jo, ik heb de boom gerooid en kan binnen een uurtje voor je deur staan”. Zo gezegd, zo gedaan,… en sindsdien loop ik om de haverklap naar buiten om te gaan ‘kijken’. De knoppen zijn nog niet uitgelopen, dus die primeur ga ik binnenkort krijgen. Tot dan is het kijken naar de takken, waarvan de jonge wonderlijk zacht behaard zijn in tegenstelling tot de oudere die reeds bedekt zijn onder de korstmossen. Daarmee heb je meteen één van de karakteristieken van de boom te pakken. Het is een echte karakterboom, die zal uitgroeien met een grillig gevormd takkenstelsel en een weerbarstige uitstraling. Door de open kroon blijft het zicht op de takken ook altijd aanwezig. Bij mijn boom zit de eerste hoofdsplitsing op borsthoogte en een tweede splitsing iets boven ooghoogte. De kroon zal daardoor dus wat breder worden en van boven meer afgeplat. Door die splitsingen is hij nu al erg ruimtelijk. De zachte beharing op de takken gaan we binnenkort terugzien op de bladeren. Die worden, met ruim 20 cm, flink groot en zijn diep gelobd/ ingesneden. Het blad zal roodachtig brons uitlopen en daarna verkleuren naar middengroen, om in het najaar af te sluiten met een oranje gele herfstverkleuring. Oftewel, wordt op de voet gevolgd.

Quercus dentata 'Pinnatifida'2

 

Quinoa voor gras

De keren dat ik in Januari in de tuin heb gewerkt zijn op 1 hand te tellen, of misschien zelfs op 1 vinger. Hakonechloa_LuzulaGisteren was die dag. Het zonnetje liet het gaandeweg afweten, maar voor de rest was er niks mis met het weer. De voor-de-tijd-van-het-jaar zachte temperaturen doen het onkruid ook gestaag verder groeien. Daarmee is zo’n tuinwerkdag vroeg op het jaar aardig meegenomen. Een week of 2 geleden heb ik mezelf ook al eens een dag in de strijd gegooid. Toen moest een paar vierkante meter “grasborder” eraan geloven. Dat wil zeggen: er stond zo goed als alleen maar gras (en dan heb ik het niet over siergrassen, maar van dat spul waar je voetbalveldjes mee vult), maar dan midden in de border. Het hele gebiedje ligt er nu leeg bij. Kale grond, maar daar kan ik de komende maanden eens mooi mijn gedachten over laten gaan. Gisteren ben ik verder gegaan waar ik achtergebleven was. Scleranthus uniflorusHet gras beperkt zich namelijk niet tot die paar vierkante meter, maar wandelt vrolijk verder tussen de andere vaste planten.

Van gras hoor je wel eens dat het een van de meest taaie en resistente begroeiingen is. Met uitzondering van enkele gebieden, groeit het zo goed als overal op aarde. Ik kan me er iets bij voorstellen, toch prijken meestal andere namen in de hitlijst van onkruiden, zoals zevenblad (waar ik gelukkig geen last van heb) en heermoes (die dan wel in mijn hitlijst voorkomt). Maar goed: de term onkruid is natuurlijk zeer relatief, wat voor de ene  gewenst is, ziet de ander liever verdwijnen. Ik was eigenlijk al blij dat het dit keer niet zo veel kweekgras was, maar meer van dat gemakkelijke spul: 1 keer trekken en je hebt de hele pol mee. HeucheraEn zo stukje bij beetje is er weer een paar vierkante meter ontgonnen. Ik begin me stilletjes aan te verheugen op het idee dat ik mezelf hiermee wat voorsprong geef in het voorjaar.

Normaal gesproken laat ik in het najaar alles begaan in de tuin. Het blad valt, bloemen verwelken, takken verdorren. Er wordt niks meer opgeruimd of afgeknipt. In het voorjaar brengt dat één van de leukste tuinklussen met zich mee. De oude laag wordt eraf gepeld en er komt een nieuwe tuin onder tevoorschijn. Maar af en toe besef ik wel dat het ook wat teveel kan worden om in het voorjaar nog allemaal verwerkt te krijgen. Ik dacht zo, als ik nou eens héél selectief al hier en daar wat afknip en opruim. Zo selectief dat het wintersilhouet er niet onder hoeft te lijden en dat de planten ook nog steeds voldoende beschutting hebben tegen de kou. Zo heb ik bijvoorbeeld de uitgebloeide halmen van de Deschampsia al afgeknipt. Ze hingen zowiezo al half over de grond en het siergras staat al met een flink stevige pol die hem genoeg bescherming geeft. De hoge stengels van de pluimpapaver laat ik dan wel weer staan. Ze geven veel effect in de winter en als ik de holle stengels zou afknippen blijft er water in staan, dat bij vorst volgens mij niet bevorderlijk is voor de plant. Zo met hier en daar nog wat onkruid verwijdert ziet het er welhaast lichtjes onder controle uit… als ik niet teveel opzij kijk dan.

Lunaria_CalamagrostisVerder worden winterse dagen op tuingebied gebruikt om moestuinplannetjes te maken, zaden uit te zoeken of in tuinboekjes te lezen. Zo stuitte ik onlangs nog op een inspirerend lijstje met inheemse wilde planten. Grappig is dat eigenlijk, dat je als beginnend tuinliefhebber (ik dan toch) vooral aangetrokken wordt door allerlei bijzonders van elders en dat je dan na zoveel jaren nog verrast kan worden door iets simpels van dicht bij huis. Zo bleef mijn oog rusten  op ‘blauwe knoop’ Succisa pratensis. Quasi bloem houdt het ergens het midden tussen Scabiosa (duifkruid) en Knautia (beemdkroon), ook al twee van die inheemse soorten. Ook was ik blij verrast door de ‘vaste judaspenning’ Lunaria rediviva. Eerlijk gezegd had ik er nog nooit van gehoord, maar hij stijgt meteen met stip op mijn wensenlijstje. Hij oogt iets meer natuurlijk dan de Lunaria annua en de centen zijn verrassend langwerpig van vorm.

Dat gezegd hebbende, moet ik bekennen dat mijn meest recente ontdekking weer meer in de exotische hoek zit. Op de website van De Nieuwe Tuin viel mijn oog op één van hun nieuwe aanwinsten, namelijk ‘Quinoa’. Een heerlijk zaad (graan mag je het eigenlijk niet noemen) oorspronkelijk afkomstig uit Zuid Amerika. Het verovert al een tijdje onze keuken, maar bij de nieuwe tuin lees ik dat het blijkbaar ook gemakkelijk te kweken is in ons klimaat. Misschien is dat dan een eerste voorzichtige kandidaat voor dat leeggekomen stukje grond.

Eénjarigen… laatjarigen

Calendula officinalisSalvia farinacea

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als ik nu een rondje door de tuin loop valt het op dat het met name de éénjarigen zijn die nog in bloei staan. Nochtans zou je verwachten dat éénjarigen de koukleumen zijn, dus dat die het tegen nu al lang zouden hebben opgegeven. Niets is minder waar. Er zijn zelfs al twee nachten vorst overheen gegaan vóór ik deze foto’s genomen heb. Eénjarig staat dus niet synoniem aan “niet bestand tegen koude”. Dat is weggelegd voor de “niet winterharden”, die dus, raar maar waar, wel méérjarig kunnen zijn, alleen niet in ons klimaat. Nee, de éénjarigen zijn geen watjes, de meesten, hier te zien, staan zelfs al vanaf juni – juli in bloei.

Lobelia 'Cascade'De éénjarigen hebben gewoon gekozen voor een veel kortere levenscyclus dan de vaste planten. In 1 jaar tijd komen ze op uit zaad, groeien uit tot volwassen planten, gaan in bloei en vormen ter afsluiting zaad , dat onder een laag sneeuw en vorst de winter doorbrengt om in het voorjaar weer te kiemen voor een nieuwe generatie. Eigenlijk zijn het echte doorzetters. Omdat alles in dat ene jaar moet gebeuren is er geen tijd voor getreuzel. Geen bloei, betekent geen zaad en dus ook geen nakomelingen. Hier speelt echt de wet van Darwin. Gelukkig voor mij, want zo valt er tussen al de siergrassen, pluimen en zaaddozen nog heel wat kleur te bespeuren.

Rucola

Rhodochiton atrosanguineus

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Rhodochiton (de klimplant met de opvallende bruin-paarse bloemen) was voor mij nog wel de grootste verrassing. In juni waren dit nog maar ielige stekjes, die ik met veel kunst en vliegwerk aan hun klimhulp had vastgebonden (de touwtjes waren zowaar groter als het stekje). Maar nu in december staat daar een flinke bos van enkele meters hoog, die zowaar onder zijn eigen gewicht is bezweken en bezaaid is met bloemen. Het ziet er zelfs een beetje surrealistisch uit, de bloemen hebben iets exotisch, maar ze geven geen kik met de vorst eroverheen.

Waar ik wel een beetje een oogje in het zeil moet gaan houden is de Majoraan (Oregano majorana). Ook die staat nog buiten in een pot. Hij staat er nog prima bij, maar de Majoraan valt onder het kopje niet winterhard. Aangezien hij in warmere klimaten meerjarig is, zou ik hem misschien moeten kunnen overhouden. Ik zal hem dus eerstdaags naar een koele vorstvrije plaats verhuizen in de hoop dat ik deze koukleum wel de winter doorkrijg.