Akelei maakt blij

Lang heb ik niet hoeven wachten op de akeleien. Ze zijn er in paars, roze en wit, enkel- en dubbelbloemig, in groepen en solitair, maar vooral…in groten getale. En dat maakt me blij. De akelei (Aquilegia vulgaris) is echt zo’n plant die niet mag ontbreken in een natuurlijke tuin. De foto hierboven toont meteen alle mooie eigenschappen van de plant: de knikkende bloemknopjes worden aan lange donkere stengels hoog boven het blad gedragen. Dat blad vormt een mooi blauwgroene toef laag bij de grond en werkt daarmee een beetje als bodembedekker. In knop lijken de bloemen net op kleine belletjes met de opvallende kenmerkende sporen als een kroontje er bovenop. Als de bloemen opengaan wordt het helemaal een schilderachtig geheel.

Jaren geleden ben ik begonnen met één Akeleiplantje ( de typisch paarse Aquilegia vulgaris). Later bestelde ik bij Zaaiclub Walcheren zaad van Aquilegia clematiflora, een variëteit zonder sporen, en Aquilegia longissima, met extra lange sporen. En daarna is alles vanzelf gegaan.

 Dat maakt meteen het benoemen van de akeleien erg lastig, ze kruisen namelijk vrij gemakkelijk, waardoor je allerlei mixvormen krijgt. Maar dat maakt het gelijk des te leuker. Hieronder rechts is nog wel de spoorloze Aquilegia clematiflora te herkennen, de longissima heb ik echter nog niet teruggezien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Er staan zeker nog een paar andere akeleien op m’n verlanglijstje, waaronder de ‘Black Barlow’, met zijn fantastische donkerblauwe bijna zwarte bloemen. Mijn fantasie slaat op hol als ik bedenk wat daar allemaal voor mooie mixvormen uit zouden kunnen komen. Tot die tijd geniet ik nog even van deze paarse bloemenzee.

Feest van varens

Als ik nu in de tuin rondloop vraag ik me af waar ik een maandje of wat geleden al die ruimte zag om nieuwe planten te zetten. Ik krijg nu eerder het gevoel van een jungle. Het is er vol, lekker vol dan wel en het zijn grotendeels de varens die met de eer gaan lopen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Veel varens hebben de eigenschap om vanuit het niets (of niet meer dan een bruine knobbelige stronk) hun bladeren uit te rollen tot een fantastisch grote weldadig groene paraplu. De uitrollende bladeren zijn een lust voor het oog, ik kan er geen genoeg van krijgen. Wat mij betreft zouden ze mogen blijven rollen, alleen is de schaduwhoek daar jammer genoeg wat klein voor.

Tussen al die bekervarens (ze doen hun naam wel eer aan) staat nog een andere paraplu en wel het “groot tafelblad” Astilboides tabularis. Grappig, het lijkt wel of schaduw en vochtig synoniem staat voor groot en groen. Zou het ook vaker regenen in de schaduwhoek, dat alle planten zich wapenen met een paraplu?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere planten varen er zo te zien ook wel bij. Het nagelkruid Geum rivale staat er florissant bij. Een frisgroene bladtoef en de mooi koraal-oranje kleurige bloemetjes op lange donkere stelen. Op de achtergrond het blad van Heuchera ‘Brownies’ met een vrijwel identieke kleur.

De Japanse regenboogvaren Athyrium niponicum ‘Metallicum’ is zich ook aan het uitrollen. Al is het op kleinere schaal, het is niet minder indrukwekkend. Moeilijk voor te stellen dat uit die kleine friemelige blaadjes zich uiteindelijk toch een flinke bos metaal grijs-paarsig blad ontplooit. Even verderop staan de akeleien al te trappelen om het stokje van de varens over te nemen. Tien keer raden waar het volgende stukje over zal gaan.